donderdag 22 april 2010

Politiemissie gaat over politie, niet alleen over militairen



Een Kamermeerderheid steunt het voorstel van GroenLinks en D66 om zo’n vijftig politietrainers onder EU-vlag naar Afghanistan te sturen. Deze politiemensen zouden door tweehonderd Nederlandse militairen moeten worden beveiligd. Verschillende media besteden hier aandacht aan zonder duidelijk te vermelden dat deze zogeheten EUPOL-missie sinds halverwege 2007 bestaat en Nederland hier al 19 politietrainers aan levert. Ook beschrijft geen enkel medium tegen welke problemen deze EUPOL-missie momenteel aanloopt en hoe de Nederlandse politie tegen deze missie aankijkt. Vreemd aangezien deze informatie waardevol is voor het nemen van een afgewogen beslissing over deze missie.

De Nederlandse Politiebond was eerder bijvoorbeeld zeer kritisch over de eerdere uitzending van negentien politiemensen naar Afghanistan. Volgens de bond staan de politiekorpsen in Nederland door bezuinigingen dusdanig onder druk dat er geen prioriteit moet worden gegeven aan het uitzenden van politiemensen naar het buitenland. Elke uitgezonden politieman of -vrouw moet in Nederland namelijk tijdelijk worden vervangen.

Ook wordt er totaal geen aandacht besteed aan de mogelijkheid om de vijftig politiemensen te laten beveiligen door buitenlandse militairen, bijvoorbeeld door de nationaliteit die kamp Holland gaat overnemen. De drie Nederlandse EUPOL-politiemensen in Kandahar worden nu bijvoorbeeld regelmatig beschermd door Canadese militairen. Het beveiligen van Nederlandse politiemensen door buitenlandse militairen ligt in Nederland echter politiek gevoelig. Dit punt wordt echter eveneens door geen enkel medium aangestipt.

Verder kampt de huidige EUPOL-missie met vele problemen. Zo was het politietrainingscentrum in Uruzgan al een half jaar na oplevering een enorme puinhoop: de riolering was verstopt, de elektrische installatie aan vervanging toe en de waterbron volledig leeggezogen. Dit kwam volgens EUPOL door ‘overbevolking’. Tijdelijk werden de Afghaanse studenten daarom in tenten ondergebracht. Daarin bleken ze elkaar echter seksueel te misbruiken, waarop de tenten door EUPOL weer snel zijn afgebroken. Dit alles heeft het opleiden van politiemensen echter zeer vertraagd.

Ook kampt de EUPOL-missie met het probleem dat vooral analfabete - veelal aan heroine verslaafde - boerenzonen zich aanmelden om politieman te worden. Het kost ontzettend veel tijd en energie deze mensen op te leiden tot civiele politiemensen. De Afghaanse politie kampt ook nog eens met een enorm afbreukrisico; per week komen gemiddeld veertig Afghaanse agenten om het leven, drie keer zoveel als militairen. Ook lopen veel agenten over naar de Taliban; per jaar stroomt 20 tot 25 procent van de Afghaanse politie uit.

Ook blijken de regels voor Nederlandse politiemensen in Afghanistan niet duidelijk. Zo zijn de Nederlandse politiemensen in Afghanistan officieel ‘burger’ maar mogen wel een wapen dragen. Wanneer zij dit wapen mogen gebruiken, is echter zeer onduidelijk. Een Eric O. situatie ligt hierdoor op de loer.

Verder is er ontevredenheid over het verschil in salaris tussen marechaussees die onder de EUPOL-missie werken en marechaussees die onder de militaire ISAF-missie werken. De Nederlandse ISAF-marechaussees verdienen minder dan hun EUPOL-collega’s terwijl ze regelmatig de poort uitgaan en daarmee beduidend meer risico lopen.

Ook zijn er verschillende logistieke problemen. De negentien Nederlandse EUPOL-politiemensen – die momenteel in Kabul, Uruzgan en Kandahar zitten – moeten vaak dagen wachten om mee te kunnen op een militair ISAF-vlucht aangezien militairen altijd voorrang krijgen.

Verder is de uitzending van de Nederlandse politiemensen alles behalve efficiënt. Zij worden minimaal voor een half jaar en maximaal voor een jaar uitgezonden. Langer mag niet van het ministerie van Binnenlandse zaken omdat een politieman of -vrouw anders de binding met het korps zou kwijtraken. Elk halfjaar gaan de Nederlandse politiemensen twee keer drie weken terug naar huis of op vakantie. Hierdoor zijn zij alles bij elkaar nog maar weinig in Afghanistan, wat de efficiëntie evenmin ten goede komt.

Naast EUPOL focussen veel partijen zich op het trainen van Afghaanse politie, waaronder ISAF, het commerciële bedrijf Dyncorp – bestaande uit Amerikaanse ex-militairen – en het internationale samenwerkingsverband CSTC-A. Vanzelfsprekend zou het veel efficiënter zijn als deze partijen zouden worden verenigd in één grote politiemissie in Afghanistan. De partijen willen zich echter profileren en zichtbaar blijven. Het geo-politieke spel is ook hier duidelijk belangrijker dan de toekomst van de Afghanen.

De vraag is of EUPOL – en dus ook een uitgebreidere politiemissie – meer is dan een druppel op de gloeiende plaat. Het jaarlijkse budget van 64 miljoen euro valt in ieder geval in het niet bij de miljarden die de Amerikanen, het commerciële Dyncorp en CSTC-A jaarlijks besteden aan het trainen van Afghaanse politiemensen.

(Andrea Dijkstra is freelance journalist en is meerdere keren in Afghanistan geweest om te berichten over de EUPOL-missie)


Foto's: Jeroen van Loon

donderdag 22 oktober 2009

Europese eilandjes in de Afghaanse woestijn


Afghanistan, 2 september 2009

Na enkele weken van stoffige wegen, claxonerende auto’s, ons aanstarende Afghanen en aandoenlijke straatkinderen maken we kennis met een hele andere kant van Afghanistan: de internationale militaire kampen die afhankelijk van de in meerderheid aanwezige nationaliteit ieder hun eigen sfeer hebben.

Zo worden we in Herat verwelkomd door de Italianen. ’s Avonds staan voornamelijk pasta en pizza op het menu bereid door uit Italië ingevlogen koks. Volgens de Italianen lijkt het in de verste verte niet op het door hun mama bereidde kostje. ‘Maar het zijn wel de beste pizza’s van Afghanistan’, zeggen ze op sarcastisch toon. Na het eten begaan wij direct de grootste Italiaanse doodszonde: we bestellen een cappuccino. ‘Cappuccino drink je ’s ochtends uiterlijk tot 11 uur!!’, roepen ze hun ogen ter hemel werpend. Echte Hollanders die we zijn, bestellen we het volgende rondje vrolijk weer een dampend kopje koffie met opgeklopte melk.

De volgende ochtend willen we met een militair vliegtuig naar Mazar-e-Sharif te vliegen. Maar als de Portugese piloten een half uur te laat – ze moesten nog even lunchen – komen aanlopen, vinden ze dat er te weinig tijd is. Het wordt een directe vlucht naar Kabul. Enigszins verbolgen volgen we de andere passagiers – allen militair – het ruim in waar ze zich aan de zijkanten insnoeren in netten. Portugese militairen nemen vervolgens aan de randen van het ruim plaats met enorme mitrailleurs. Via microfoontjes praten ze met elkaar en houden de boel in de gaten. Na een uur op kerosine wachten, sluit het ruim zich. Gelukkig hebben we oordopjes gekregen, want de motoren beginnen snoeihard te loeien. Nerveus kijken we om ons heen. Lastige van een militair vliegtuig is dat je geen idee hebt wat het toestel aan het doen is. De enkele raampjes zitten niet op ooghoogte. En doordat je met je rug tegen de zijkanten zit, ervaar je alles anders. Aan de hand van de bewegingen die je voelt, gok je dus maar of je rijdt, vliegt of een salto aan het maken bent. Dit laatste vermoed ik meerdere keren tijdens onze vlucht naar Kabul te hebben gedaan. Nooit geweten dat bloed zo snel van je tenen naar je hoofd kan stijgen. Achteraf bleek dit waarschijnlijk om het ‘strategisch’ opstijgen en landen te zijn gegaan. De piloten maken dan speciale manoeuvres waardoor vijandige groepen op de grond het vliegtuig – als het goed is – niet weten te raken. Lekkere geruststellend gevoel geeft dat!

In Kabul mochten we gelukkig een nachtje doorbrengen op het militaire kamp om de volgende ochtend alsnog naar Mazar te vliegen. Grappig is dat het op dit kamp echt een ware mix van Amerikanen, Britten, Fransen, Nederlanders, Duitsers, Belgen, Canadezen, Noren en weet ik veel wie nog meer allemaal is. En van iedereen zijn de Nederlanders het braafste jongetje van de klas. Zo ongeveer alle nationaliteiten mogen alcohol behalve wij kaaskoppen. Raar aangezien alle nationaliteiten met elkaar in de kroeg staan. Gelukkig voor ons vielen wij als brave burgers niet onder deze strenge regulering.

Eenmaal in Mazar-e-Sharif is het de beurt aan de Duitsers. Konden we bij de Italianen in Herat zo de gepantserde wagen inspringen zonder kogelvrij vest, bij onze Oosterburen krijgen we een uitgebreide veiligheidsbriefing; wat te doen bij een aanval, adem inhouden als er brand uitbreekt en graag niet de deur opendoen behalve als de chauffeur hier toestemming voor geeft.

Op al deze kampen is het bizar om te zien hoe werkelijk elk stoeltje, lepeltje, glas, elke fourwheeldrive, bureaustoel en waarschijnlijk ook al het eten is geïmporteerd uit de desbetreffende landen. De supermarkten staan vol met teddybeertjes, dure Cubaanse sigaren en sloffen vol met goedkope sigaretten. En alle nationaliteiten nemen hun eigen gebruiken mee naar Afghanistan. Zo zingen de Italianen mee in de auto met hun softe liefdesliedjes. In de Duitse restaurants is zowel bier als fris enkel in halve liters te krijgen. En in Mazar – waar inmiddels ook veel Finnen schijnen te zitten – is de eerste sauna geopend. Apart als je bedenkt dat het buiten regelmatig 50 graden Celsius is.

No bad words during Ramadan


Kabul, 27 augustus 2009

Ramadan: In Nederland staan vooral de kranten vol met Tariq Ramadan, de ontslagen moslimsfilosoof. Maar hier in Afghanistan is de vastenmaand van de moslims het gesprek van de dag. Bij interviews excuseren Afghanen zich dat ze geen thee kunnen aanbieden. Iets waar je anders niet onderuit komt. Probeer je afspraken te maken, dan kan dit maar tot 1 a 2 uur ’s middags. ‘Want tsja, het is Ramadan. Later op de dag zijn de mensen te moe en naar huis.’ Als buitenlandse journalist durf je hier geen probleem van te maken. Maar de consequentie is wel dat je al je afspraken in slechts 5 uurtjes per dag moet proppen.

Toch heeft Ramadan wel iets. De mensen zijn duidelijk meer met hun geloof bezig. Zo moesten we gisteren vijf minuten wachten totdat onze taxichauffeur klaar was met bidden. Ook maakt het de mensen meer bewust van het feit dat ze normaliter eten hebben. En de maand heeft iets mystieks. Zo organiseerde ons guesthouse in Kabul op de avond voor het begin van de vastenmaand een speciale feestavond. Elke donderdagavond – de avond voor hun vrije vrijdag (men werkt hier zes dagen per week) - wordt de met tl-buizen verlichte eetzaal omgetoverd in een romantisch restaurant met kaarsen die gevaarlijk dicht bij de roze kunstboeketjes staan. Maar de avond voor Ramadan was de gehele eetzaal - inclusief buffet - verhuisd naar de hoteltuin. Ook speelde er een Afghaanse band. Buiten eten op de klanken van de traditionele muziek gaf een mysterieuze sfeer waar je bijna door ging fluisteren.
Ook op straat ontstaat er rond zonsondergang een speciale sfeer. Overal gaan mensen brood halen. Bewakers eten samen in hun kleine wachthuisje rijst met bonen. En overal nodigen ze ons uit om mee te eten. Zo passeerden we ’s avonds een bakker waar ze ons direct thee met vers brood aanboden wat wij niet konden weigeren. De bakkers werkten onderwijl door.

Toch zijn er ook mensen die er onderuit proberen te komen. Zo spraken we met verschillende politievrouwen . Hun kolonel nam ’s middags zonder moeite een kopje thee onder het mom dat hij ziek was.

Onze chauffeur gebruikt Ramadan op een andere manier. Voor een bezoekje aan een winkel parkeerde hij – net als velen - even zijn auto langs de kant. Na enkele minuten begon een in groen uniform gestoken politieagent wild naar ons te gebaren. Bij terugkomst uit de winkel ontaarde hij in een onverstaanbare monoloog, wild gebarend met zijn armen. Onze chauffeur antwoordde koeltjes dat hij na zonsondergang zou terugkeren om het uit te praten. ‘Het is Ramadan. Als ik nu bad words gebruik, is mijn Ramadan verpest.’ De agent bleef achter met een mond vol tanden. De chauffeur schaterde, het zo goed opgelost te hebben. ‘Maar het is de waarheid. Tijdens Ramadan mogen we geen bad words gebruiken of bijvoorbeeld over vrouwen praten. Na zonsondergang is dat anders.’ Ik vroeg wat hij het moeilijkste aan Ramadan vond. ‘Niet roken’, antwoordde hij direct. Ik moest lachen aangezien het mij een stuk moeilijker lijkt bij 30 graden Celsius van zonsop- tot zonsondergang geen druppel water te mogen drinken.

Sinds enkele dagen zijn wij in Herat. Omdat deze westelijke stad een stuk minder hoog ligt dan Kabul ligt de temperatuur hier zelfs boven de 40 graden. Met mijn lange kleding en hoofddoek heb ik af en toe het idee dat ik bijna flauwval, laat staan als je veertien uur achter elkaar niet eet en drinkt. Slechts één woord blijft dan ook voor deze mensen over: RESPECT.

Veiligheidsmaatregelen a la Afghan style


Kabul, 19 augustus 2009

Sinds enkele dagen trilt elke paar uur mijn mobieltje vanwege smsjes van ongeruste familieleden en vrienden. In Nederland denkt men onderhand dat heel Kabul in vuur en vlam staat. Raar als je dat vergelijkt met hoe ik hier de afgelopen dagen door de rustige straten reed, waar Afghanen gewoon doorleven. Vrouwen in blauwe burka’s shoppen op de markt. Mannen in spijkerbroek prijzen gigantische meloenen aan. Jongeren picknicken in het park. En straatkinderen rennen gillend rond met posters en petjes van presidentskandidaat dr. Abdullah, net uit een voorbijrijdende campagneauto gestrooid. De kilometerslange betonnen muren met prikkeldraad - onderbroken door hokjes met bewakers met mitrailleurs - blijven me herinneren waar ik ben. En de regelmatig langsrijdende konvooien met Amerikaanse legerhummers geven me kippenvel. Maar of het nu grimmig is in Kabul? Eerlijk gezegd heb ik het idee dat de verkiezingen meer in het Westen leven dan bij de Afghanen zelf.

Ook de veiligheidsmaatregelen hier in Kabul worden in Nederland volgens mij enigszins overschat. Zo lees ik enkele dagen geleden op nu.nl dat in de Afghaanse hoofdstad zeer scherpe veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Uiteraard staat in het centrum inmiddels op vrijwel elke straathoek een Afghaanse legertruck met bovenop in de brandende zon een vermoeide soldaat achter een enorme mitrailleur. Maar samen met mijn Nederlandse fotograaf en Afghaanse chauffeur kunnen we enkele dagen eerder - zonder dat we worden gefouilleerd, onze tassen worden doorzocht, onze namen worden gevraagd, of ook maar om onze paspoorten wordt gevraagd - zo het ministerie van Gezondheidszorg in wandelen. ‘Lukt je dit ook zonder ons’, vraag ik verbaasd aan onze Afghaanse chauffeur (wetende dat blanken door beveiligingsmensen – misschien wel onterecht - vaak sneller worden vertrouwd). ‘Zonder jullie zou me dat net zo gemakkelijk lukken. Waarom niet? Ik weet hoe ik met deze mensen moet omgaan’, antwoordt hij met een brede lach. ‘Maar terroristen weten dat ook’, antwoord ik enigszins bedenkelijk. Bij het ziekenhuis wat we vervolgens bezoeken, wordt elke man zeer vluchtig rond het middel gefouilleerd. De veelal gesluierde of in burka geklede vrouwen kunnen zo naar binnen. Zoals in de meeste moslimlanden mogen zij enkel worden gefouilleerd door vrouwen. Maar die zijn nergens te bekennen. ‘Misschien eventjes lunchen‘, lach ik tegen de fotograaf.

Als achtergrondjournalist hoef ik gelukkig niet alle zelfmoordaanslagen af te lopen. Maar mijn fotograaf wil zaterdag graag voor wat foto’s naar de plek vlakbij het NAVO-gebouw waar die ochtend een aanslag is gepleegd. Daar aangekomen worden we eerst tegengehouden door Afghaanse soldaten. Vervolgens vertelt verderop een Franse ISAF-militair ons dat we niet verder kunnen. Langs een klein paadje aan de zijkant lopen we toch met stalen gezichten langs een aantal Afghaanse politiemannen. Die nemen genoegen met onze perspassen en opeens staan we een stukje verderop tussen het mediacircus van journalisten en camera’s op zo’n tweehonderd meter van de uitgebrande auto van de zelfmoordterrorist. Met verbazing kijk ik naar een stotterende CBS-journaliste die voor de camera zeker tien keer niet verder komt dan haar eerste twee zinnen. Maar mijn verbazing wordt groter als opeens onze Afghaanse taxichauffeur naast me staat en vraagt of hij nou mag gaan. Blijkbaar had hij totaal geen problemen met al die veiligheidsmaatregelen, a la Afghan-style dan maar…

woensdag 20 mei 2009

Zwangerschapsvergiftigingen, tophypotheken en inscheuringen


Zonnestralen glijden over de Vinex-wijk. Een dertiger wast de velgen van zijn Alpha. Achter een appeltjesgroene kinderwagen waggelt een hoogzwangere vrouw voorbij. Ik loop van mijn auto naar een doorzonwoning. Daar heb ik met drie vriendinnen afgesproken die ik nog ken van de middelbare school. Wat zullen ze van mijn reis naar Latijns Amerika vinden? Het was toch wel mijn spannendste trip tot nu toe, bedenk ik terwijl ik het tuinhek achter me dichtklik.

Door het open keukenraam brokkelen stukjes van een gesprek naar buiten. Bij binnenkomst stokt de conversatie en springen de drie vriendinnen op van de witte eettafel. De damp van hun gekleurde mokken zweeft ondertussen tussen de roze lampenkappen door en vult de ruimte met een geur van rooibos. Snel krijg ik ook een stoel en dampende mok. Gekwetter breekt los. Ik blijk midden in een gesprek te vallen..

‘Ik zit te twijfelen tussen een Quinny, Mutsy of MacLaren’, vertelt hoogzwangere Anna. Ze is – op haar buik na – nog een dennetje en de eerste van ons clubje dat in verwachting is.

‘Die Quinny’s zijn supermooi en je hebt ze in allemaal kleuren!’, roept de blonde Lisa enthousiast.

Daar is de donkere Veronica het niet mee eens. ‘Die Mutsy’s vind ik praktischer, en die hebben ook niet van die lelijke ritsen.’

Met grote ogen probeer ik te begrijpen waar de conversatie over gaat. Pas na vijf minuten begint me te dagen dat het een discussie is over kinderwagens, gevoerd door drie vrouwen van wie slechts één zwanger is.

‘Latijns Amerika was trouwens echt heel bijzonder’, verander ik van onderwerp. We zijn in een fourwheeldrive door Peru gereden. Onwijs heftig, want door het regenseizoen waren er rotslawines.

‘Jemig, minder lijkt me dat’, zegt Lisa, terwijl ze haar hand door haar blonde lokken haalt.

‘En hoe deden jullie dat dan met overnachten’, vraagt Veronica.

Telkens in elk dorpje gingen we naar het eerste de beste pensio..

Lisa onderbreekt me middenin een zin: ‘Ton en Jessica – met wie ik vorige maand op vakantie was – hadden ieder gewoon maar één koffer mee! Terwijl ze dus Joris mee hadden, die pas een half jaar is!’

‘Voor het eerst op vakantie met een baby en dan ieder maar één koffer? Hoe doen ze dat?’, reageert Anna flabbergasted.

‘Ja, ongelooflijk hè? De luiers hadden ze om de buggy heen gebonden en vervolgens het bundeltje ingecheckt’, antwoordt Lisa schaterend.

Ik pak een zakje uit de plexiglazen theedoos. Mijn aandacht wordt getrokken door het prikbord met zeker vier geboortekaartjes. Die hingen er de vorige keer nog niet.

‘Pepijn – dat kindje van mijn buren - mag trouwens een jaar niet naar de crèche. Hij is te vroeg geboren en dan zou het met al die ziekten daar veel te gevaarlijk zijn’, vertelt Lisa op serieuze toon.

Anna haakt aan: ‘Ja, dat vriendinnetje van mij – Stefanie – heeft dat ook met haar dochtertje. Ze moet nu waarschijnlijk haar baan opzeggen! Echt zo erg!’

Ik antwoord het ook heel erg te vinden, maar bedenk dat ik die hele Stefanie niet ken. ‘We hebben trouwens in Peru ook een ongeluk gehad’, waag ik een nieuwe poging om wat over mijn reis te vertellen. ‘Een auto reed plotseling achteruit omdat er keien op zijn dak vielen. Toen knalde hij dus tegen ons op.’

Veronica roept ondertussen vanaf het aanrecht ‘Wat vinden jullie van mijn nieuwe roze plantjes in de voortuin?’ Met een thermoskan vol gloeiend water aanlopend, gaat ze verder. ‘Ik wil ook een spiegel aan die buitenmuur hangen. Zo krijgt de tuin wat meer diepte.’

Lisa vindt dit een heel goed idee en vertelt hoe ze zich vorige week heeft ingeschreven voor een nieuwbouwproject. Adviezen over hypotheekverstrekkers worden vervolgens uitgewisseld. Een kwartier zwangerschapsvergiftigingen, tophypotheken, inscheuringen en babynamen verder ben ik het een beetje zat.

‘Kunnen we het echt alleen nog maar over huizen en baby’s hebben’, vraag ik verbaasd maar tegelijk ook geïrriteerd.

‘Maar jij hebt toch ook een mooi huis?’

‘Ja, maar ik heb het er niet de hele dag over’, antwoord ik een tikje fel.

Met gefronste wenkbrauwen kijken ze me aan. De mix van verbazing en irritatie voel ik enkele dagen later opnieuw opkomen als ik een mailtje open.

‘Denise is gisteren bevallen van een dochter! Om 10 uur verloor ze de slijmprop. En om half 5 al bevallen. Wel flink ingescheurd, dus daarna met de ambulance naar het ziekenhuis waar ze moest worden geopereerd.’

Ik probeer mij te herinneren wie Denise is. Oh ja, ik heb haar weleens gezien op een verjaardag.
Maar wil ik dit wel lezen? En belangrijker: Wil deze Denise wel dat deze nogal persoonlijke en plastisch omschreven details in de mailbox van wildvreemden belanden?

Worden baby’s het nieuwe kroegonderwerp? En zolang je er zelf geen hebt, moet je het maar over de spruiten van anderen hebben? Soms wil ik tegen die vriendinnen zeggen: ‘Begin er toch alsjeblieft zélf aan.’ Maar dan houd ik wijselijk mijn mond. Want misschien hebben ze dat al gedaan...

maandag 4 mei 2009

Twee Hobbels

Weet u dat onze snelwegen heel veel hobbels hebben? Zo zit de A10 Oost er vol mee. En aan de westkant vlak voor de Coentunnel is het ook even stuiteren. De allerhoogste bobbel in ons wegennet zit overigens op de A4 net na het Prins Clausplein richting Leiden. Daar lukt het mij soms om met de wielen los van het asfalt te komen. Moet dan wel uitkijken tegelijk niet mijn hoofd te stoten.


‘Ze overdrijft!’, denkt u waarschijnlijk. U zoeft er met uw ultravering waarschijnlijk soepeltjes overheen. Dan zal ik ook iets meer over mijn vervoersmiddel onthullen. Sinds enkele maanden ben ik weer de troste bezitter van een Mini. Niet zo’n modern BMW-joekel waar bij de aankoop een enorme dosis arrogantie wordt bijgeleverd. Nee, een klassieke: een zwart metalen doosje met wit dakje, dubbele uitlaat en op elke hoek een breed maar heel klein bandje. Dit alles niet meer wegend dan 600 kilo. Vijf jaar geleden had ik er ook één, maar in de tussentijd lijken de wegen veel minder vlak. Of is het mijn ouderdom? Na een uur rijden krijg ik soms zelfs rugpijn.


Daarom besluit ik onlangs naar Amsterdam-Noord in plaats van over de vlottere A10-Oost, de westelijke kant te nemen. Rij het er maar een keer op na: die kant van de ring is een stuk vlakker, behalve dan dus net voor de Coentunnel. Maar zo ontstaat een nieuw probleem. Op een groot deel van de westring is de maximum snelheid de oh zo schappelijke maar erg trage 80 km per uur. Nu is enkele weken geleden mijn kilometerteller overleden. En hoe kom je er dan achter of je 80 rijdt. Stiekem probeer ik bij een wit bestelbusje een soort zijkant-kleven uit. Maar van achteren beginnen mensen wel heel dicht mijn bumper te bekijken. Het vermoeden bekruipt me dat ik een té trage metgezel heb uitgekozen. Snel manoeuvreer ik naar een Twingo verderop. En zo bereik ik in vijf hele lange minuten het stuk vlak voor de Coentunnel. Eindelijk! Het gas mag er weer op. Even vergeten dat hier het hobbelcircuit begint.

Waar ik met mijn nieuwe scheurmonster ook achter ben gekomen is dat automobilisten – vooral mannen – hun rijgedrag ten opzichte van anderen erg aanpassen aan de grote van de auto. Zo rijd ik enkele dagen geleden achter manlief – in zijn degelijke stationwagon - naar huis. Moeiteloos weet hij via een onzichtbare wenk de auto’s naar de rechterhelft te bonjouren, zonder zijn 130 km per uur ook maar één keer te moeten onderbreken. Geheel anders is het bij mij. De bolides – wel nog steeds op de rechterhelft – versnellen opeens naar de 140. De mannen gehuld in pak en donkere zonnebril verblikken of verblozen niet. Stug voor zich uit kijkend zorgen ze er wel heel secuur voor niet te worden ingehaald door dat koekblikje uit de vorige eeuw. Zou dat een afgang zijn? Totdat ze uit een ooghoek in het kleine autootje een chauffeur met twee bobbels zien zitten. Dan verschijnt een – in hun ogen – sexy glimlach en zwaaiend handje. Maar het gas blijft erop…