woensdag 20 mei 2009

Zwangerschapsvergiftigingen, tophypotheken en inscheuringen


Zonnestralen glijden over de Vinex-wijk. Een dertiger wast de velgen van zijn Alpha. Achter een appeltjesgroene kinderwagen waggelt een hoogzwangere vrouw voorbij. Ik loop van mijn auto naar een doorzonwoning. Daar heb ik met drie vriendinnen afgesproken die ik nog ken van de middelbare school. Wat zullen ze van mijn reis naar Latijns Amerika vinden? Het was toch wel mijn spannendste trip tot nu toe, bedenk ik terwijl ik het tuinhek achter me dichtklik.

Door het open keukenraam brokkelen stukjes van een gesprek naar buiten. Bij binnenkomst stokt de conversatie en springen de drie vriendinnen op van de witte eettafel. De damp van hun gekleurde mokken zweeft ondertussen tussen de roze lampenkappen door en vult de ruimte met een geur van rooibos. Snel krijg ik ook een stoel en dampende mok. Gekwetter breekt los. Ik blijk midden in een gesprek te vallen..

‘Ik zit te twijfelen tussen een Quinny, Mutsy of MacLaren’, vertelt hoogzwangere Anna. Ze is – op haar buik na – nog een dennetje en de eerste van ons clubje dat in verwachting is.

‘Die Quinny’s zijn supermooi en je hebt ze in allemaal kleuren!’, roept de blonde Lisa enthousiast.

Daar is de donkere Veronica het niet mee eens. ‘Die Mutsy’s vind ik praktischer, en die hebben ook niet van die lelijke ritsen.’

Met grote ogen probeer ik te begrijpen waar de conversatie over gaat. Pas na vijf minuten begint me te dagen dat het een discussie is over kinderwagens, gevoerd door drie vrouwen van wie slechts één zwanger is.

‘Latijns Amerika was trouwens echt heel bijzonder’, verander ik van onderwerp. We zijn in een fourwheeldrive door Peru gereden. Onwijs heftig, want door het regenseizoen waren er rotslawines.

‘Jemig, minder lijkt me dat’, zegt Lisa, terwijl ze haar hand door haar blonde lokken haalt.

‘En hoe deden jullie dat dan met overnachten’, vraagt Veronica.

Telkens in elk dorpje gingen we naar het eerste de beste pensio..

Lisa onderbreekt me middenin een zin: ‘Ton en Jessica – met wie ik vorige maand op vakantie was – hadden ieder gewoon maar één koffer mee! Terwijl ze dus Joris mee hadden, die pas een half jaar is!’

‘Voor het eerst op vakantie met een baby en dan ieder maar één koffer? Hoe doen ze dat?’, reageert Anna flabbergasted.

‘Ja, ongelooflijk hè? De luiers hadden ze om de buggy heen gebonden en vervolgens het bundeltje ingecheckt’, antwoordt Lisa schaterend.

Ik pak een zakje uit de plexiglazen theedoos. Mijn aandacht wordt getrokken door het prikbord met zeker vier geboortekaartjes. Die hingen er de vorige keer nog niet.

‘Pepijn – dat kindje van mijn buren - mag trouwens een jaar niet naar de crèche. Hij is te vroeg geboren en dan zou het met al die ziekten daar veel te gevaarlijk zijn’, vertelt Lisa op serieuze toon.

Anna haakt aan: ‘Ja, dat vriendinnetje van mij – Stefanie – heeft dat ook met haar dochtertje. Ze moet nu waarschijnlijk haar baan opzeggen! Echt zo erg!’

Ik antwoord het ook heel erg te vinden, maar bedenk dat ik die hele Stefanie niet ken. ‘We hebben trouwens in Peru ook een ongeluk gehad’, waag ik een nieuwe poging om wat over mijn reis te vertellen. ‘Een auto reed plotseling achteruit omdat er keien op zijn dak vielen. Toen knalde hij dus tegen ons op.’

Veronica roept ondertussen vanaf het aanrecht ‘Wat vinden jullie van mijn nieuwe roze plantjes in de voortuin?’ Met een thermoskan vol gloeiend water aanlopend, gaat ze verder. ‘Ik wil ook een spiegel aan die buitenmuur hangen. Zo krijgt de tuin wat meer diepte.’

Lisa vindt dit een heel goed idee en vertelt hoe ze zich vorige week heeft ingeschreven voor een nieuwbouwproject. Adviezen over hypotheekverstrekkers worden vervolgens uitgewisseld. Een kwartier zwangerschapsvergiftigingen, tophypotheken, inscheuringen en babynamen verder ben ik het een beetje zat.

‘Kunnen we het echt alleen nog maar over huizen en baby’s hebben’, vraag ik verbaasd maar tegelijk ook geïrriteerd.

‘Maar jij hebt toch ook een mooi huis?’

‘Ja, maar ik heb het er niet de hele dag over’, antwoord ik een tikje fel.

Met gefronste wenkbrauwen kijken ze me aan. De mix van verbazing en irritatie voel ik enkele dagen later opnieuw opkomen als ik een mailtje open.

‘Denise is gisteren bevallen van een dochter! Om 10 uur verloor ze de slijmprop. En om half 5 al bevallen. Wel flink ingescheurd, dus daarna met de ambulance naar het ziekenhuis waar ze moest worden geopereerd.’

Ik probeer mij te herinneren wie Denise is. Oh ja, ik heb haar weleens gezien op een verjaardag.
Maar wil ik dit wel lezen? En belangrijker: Wil deze Denise wel dat deze nogal persoonlijke en plastisch omschreven details in de mailbox van wildvreemden belanden?

Worden baby’s het nieuwe kroegonderwerp? En zolang je er zelf geen hebt, moet je het maar over de spruiten van anderen hebben? Soms wil ik tegen die vriendinnen zeggen: ‘Begin er toch alsjeblieft zélf aan.’ Maar dan houd ik wijselijk mijn mond. Want misschien hebben ze dat al gedaan...

maandag 4 mei 2009

Twee Hobbels

Weet u dat onze snelwegen heel veel hobbels hebben? Zo zit de A10 Oost er vol mee. En aan de westkant vlak voor de Coentunnel is het ook even stuiteren. De allerhoogste bobbel in ons wegennet zit overigens op de A4 net na het Prins Clausplein richting Leiden. Daar lukt het mij soms om met de wielen los van het asfalt te komen. Moet dan wel uitkijken tegelijk niet mijn hoofd te stoten.


‘Ze overdrijft!’, denkt u waarschijnlijk. U zoeft er met uw ultravering waarschijnlijk soepeltjes overheen. Dan zal ik ook iets meer over mijn vervoersmiddel onthullen. Sinds enkele maanden ben ik weer de troste bezitter van een Mini. Niet zo’n modern BMW-joekel waar bij de aankoop een enorme dosis arrogantie wordt bijgeleverd. Nee, een klassieke: een zwart metalen doosje met wit dakje, dubbele uitlaat en op elke hoek een breed maar heel klein bandje. Dit alles niet meer wegend dan 600 kilo. Vijf jaar geleden had ik er ook één, maar in de tussentijd lijken de wegen veel minder vlak. Of is het mijn ouderdom? Na een uur rijden krijg ik soms zelfs rugpijn.


Daarom besluit ik onlangs naar Amsterdam-Noord in plaats van over de vlottere A10-Oost, de westelijke kant te nemen. Rij het er maar een keer op na: die kant van de ring is een stuk vlakker, behalve dan dus net voor de Coentunnel. Maar zo ontstaat een nieuw probleem. Op een groot deel van de westring is de maximum snelheid de oh zo schappelijke maar erg trage 80 km per uur. Nu is enkele weken geleden mijn kilometerteller overleden. En hoe kom je er dan achter of je 80 rijdt. Stiekem probeer ik bij een wit bestelbusje een soort zijkant-kleven uit. Maar van achteren beginnen mensen wel heel dicht mijn bumper te bekijken. Het vermoeden bekruipt me dat ik een té trage metgezel heb uitgekozen. Snel manoeuvreer ik naar een Twingo verderop. En zo bereik ik in vijf hele lange minuten het stuk vlak voor de Coentunnel. Eindelijk! Het gas mag er weer op. Even vergeten dat hier het hobbelcircuit begint.

Waar ik met mijn nieuwe scheurmonster ook achter ben gekomen is dat automobilisten – vooral mannen – hun rijgedrag ten opzichte van anderen erg aanpassen aan de grote van de auto. Zo rijd ik enkele dagen geleden achter manlief – in zijn degelijke stationwagon - naar huis. Moeiteloos weet hij via een onzichtbare wenk de auto’s naar de rechterhelft te bonjouren, zonder zijn 130 km per uur ook maar één keer te moeten onderbreken. Geheel anders is het bij mij. De bolides – wel nog steeds op de rechterhelft – versnellen opeens naar de 140. De mannen gehuld in pak en donkere zonnebril verblikken of verblozen niet. Stug voor zich uit kijkend zorgen ze er wel heel secuur voor niet te worden ingehaald door dat koekblikje uit de vorige eeuw. Zou dat een afgang zijn? Totdat ze uit een ooghoek in het kleine autootje een chauffeur met twee bobbels zien zitten. Dan verschijnt een – in hun ogen – sexy glimlach en zwaaiend handje. Maar het gas blijft erop…