donderdag 22 oktober 2009

Europese eilandjes in de Afghaanse woestijn


Afghanistan, 2 september 2009

Na enkele weken van stoffige wegen, claxonerende auto’s, ons aanstarende Afghanen en aandoenlijke straatkinderen maken we kennis met een hele andere kant van Afghanistan: de internationale militaire kampen die afhankelijk van de in meerderheid aanwezige nationaliteit ieder hun eigen sfeer hebben.

Zo worden we in Herat verwelkomd door de Italianen. ’s Avonds staan voornamelijk pasta en pizza op het menu bereid door uit Italië ingevlogen koks. Volgens de Italianen lijkt het in de verste verte niet op het door hun mama bereidde kostje. ‘Maar het zijn wel de beste pizza’s van Afghanistan’, zeggen ze op sarcastisch toon. Na het eten begaan wij direct de grootste Italiaanse doodszonde: we bestellen een cappuccino. ‘Cappuccino drink je ’s ochtends uiterlijk tot 11 uur!!’, roepen ze hun ogen ter hemel werpend. Echte Hollanders die we zijn, bestellen we het volgende rondje vrolijk weer een dampend kopje koffie met opgeklopte melk.

De volgende ochtend willen we met een militair vliegtuig naar Mazar-e-Sharif te vliegen. Maar als de Portugese piloten een half uur te laat – ze moesten nog even lunchen – komen aanlopen, vinden ze dat er te weinig tijd is. Het wordt een directe vlucht naar Kabul. Enigszins verbolgen volgen we de andere passagiers – allen militair – het ruim in waar ze zich aan de zijkanten insnoeren in netten. Portugese militairen nemen vervolgens aan de randen van het ruim plaats met enorme mitrailleurs. Via microfoontjes praten ze met elkaar en houden de boel in de gaten. Na een uur op kerosine wachten, sluit het ruim zich. Gelukkig hebben we oordopjes gekregen, want de motoren beginnen snoeihard te loeien. Nerveus kijken we om ons heen. Lastige van een militair vliegtuig is dat je geen idee hebt wat het toestel aan het doen is. De enkele raampjes zitten niet op ooghoogte. En doordat je met je rug tegen de zijkanten zit, ervaar je alles anders. Aan de hand van de bewegingen die je voelt, gok je dus maar of je rijdt, vliegt of een salto aan het maken bent. Dit laatste vermoed ik meerdere keren tijdens onze vlucht naar Kabul te hebben gedaan. Nooit geweten dat bloed zo snel van je tenen naar je hoofd kan stijgen. Achteraf bleek dit waarschijnlijk om het ‘strategisch’ opstijgen en landen te zijn gegaan. De piloten maken dan speciale manoeuvres waardoor vijandige groepen op de grond het vliegtuig – als het goed is – niet weten te raken. Lekkere geruststellend gevoel geeft dat!

In Kabul mochten we gelukkig een nachtje doorbrengen op het militaire kamp om de volgende ochtend alsnog naar Mazar te vliegen. Grappig is dat het op dit kamp echt een ware mix van Amerikanen, Britten, Fransen, Nederlanders, Duitsers, Belgen, Canadezen, Noren en weet ik veel wie nog meer allemaal is. En van iedereen zijn de Nederlanders het braafste jongetje van de klas. Zo ongeveer alle nationaliteiten mogen alcohol behalve wij kaaskoppen. Raar aangezien alle nationaliteiten met elkaar in de kroeg staan. Gelukkig voor ons vielen wij als brave burgers niet onder deze strenge regulering.

Eenmaal in Mazar-e-Sharif is het de beurt aan de Duitsers. Konden we bij de Italianen in Herat zo de gepantserde wagen inspringen zonder kogelvrij vest, bij onze Oosterburen krijgen we een uitgebreide veiligheidsbriefing; wat te doen bij een aanval, adem inhouden als er brand uitbreekt en graag niet de deur opendoen behalve als de chauffeur hier toestemming voor geeft.

Op al deze kampen is het bizar om te zien hoe werkelijk elk stoeltje, lepeltje, glas, elke fourwheeldrive, bureaustoel en waarschijnlijk ook al het eten is geïmporteerd uit de desbetreffende landen. De supermarkten staan vol met teddybeertjes, dure Cubaanse sigaren en sloffen vol met goedkope sigaretten. En alle nationaliteiten nemen hun eigen gebruiken mee naar Afghanistan. Zo zingen de Italianen mee in de auto met hun softe liefdesliedjes. In de Duitse restaurants is zowel bier als fris enkel in halve liters te krijgen. En in Mazar – waar inmiddels ook veel Finnen schijnen te zitten – is de eerste sauna geopend. Apart als je bedenkt dat het buiten regelmatig 50 graden Celsius is.

No bad words during Ramadan


Kabul, 27 augustus 2009

Ramadan: In Nederland staan vooral de kranten vol met Tariq Ramadan, de ontslagen moslimsfilosoof. Maar hier in Afghanistan is de vastenmaand van de moslims het gesprek van de dag. Bij interviews excuseren Afghanen zich dat ze geen thee kunnen aanbieden. Iets waar je anders niet onderuit komt. Probeer je afspraken te maken, dan kan dit maar tot 1 a 2 uur ’s middags. ‘Want tsja, het is Ramadan. Later op de dag zijn de mensen te moe en naar huis.’ Als buitenlandse journalist durf je hier geen probleem van te maken. Maar de consequentie is wel dat je al je afspraken in slechts 5 uurtjes per dag moet proppen.

Toch heeft Ramadan wel iets. De mensen zijn duidelijk meer met hun geloof bezig. Zo moesten we gisteren vijf minuten wachten totdat onze taxichauffeur klaar was met bidden. Ook maakt het de mensen meer bewust van het feit dat ze normaliter eten hebben. En de maand heeft iets mystieks. Zo organiseerde ons guesthouse in Kabul op de avond voor het begin van de vastenmaand een speciale feestavond. Elke donderdagavond – de avond voor hun vrije vrijdag (men werkt hier zes dagen per week) - wordt de met tl-buizen verlichte eetzaal omgetoverd in een romantisch restaurant met kaarsen die gevaarlijk dicht bij de roze kunstboeketjes staan. Maar de avond voor Ramadan was de gehele eetzaal - inclusief buffet - verhuisd naar de hoteltuin. Ook speelde er een Afghaanse band. Buiten eten op de klanken van de traditionele muziek gaf een mysterieuze sfeer waar je bijna door ging fluisteren.
Ook op straat ontstaat er rond zonsondergang een speciale sfeer. Overal gaan mensen brood halen. Bewakers eten samen in hun kleine wachthuisje rijst met bonen. En overal nodigen ze ons uit om mee te eten. Zo passeerden we ’s avonds een bakker waar ze ons direct thee met vers brood aanboden wat wij niet konden weigeren. De bakkers werkten onderwijl door.

Toch zijn er ook mensen die er onderuit proberen te komen. Zo spraken we met verschillende politievrouwen . Hun kolonel nam ’s middags zonder moeite een kopje thee onder het mom dat hij ziek was.

Onze chauffeur gebruikt Ramadan op een andere manier. Voor een bezoekje aan een winkel parkeerde hij – net als velen - even zijn auto langs de kant. Na enkele minuten begon een in groen uniform gestoken politieagent wild naar ons te gebaren. Bij terugkomst uit de winkel ontaarde hij in een onverstaanbare monoloog, wild gebarend met zijn armen. Onze chauffeur antwoordde koeltjes dat hij na zonsondergang zou terugkeren om het uit te praten. ‘Het is Ramadan. Als ik nu bad words gebruik, is mijn Ramadan verpest.’ De agent bleef achter met een mond vol tanden. De chauffeur schaterde, het zo goed opgelost te hebben. ‘Maar het is de waarheid. Tijdens Ramadan mogen we geen bad words gebruiken of bijvoorbeeld over vrouwen praten. Na zonsondergang is dat anders.’ Ik vroeg wat hij het moeilijkste aan Ramadan vond. ‘Niet roken’, antwoordde hij direct. Ik moest lachen aangezien het mij een stuk moeilijker lijkt bij 30 graden Celsius van zonsop- tot zonsondergang geen druppel water te mogen drinken.

Sinds enkele dagen zijn wij in Herat. Omdat deze westelijke stad een stuk minder hoog ligt dan Kabul ligt de temperatuur hier zelfs boven de 40 graden. Met mijn lange kleding en hoofddoek heb ik af en toe het idee dat ik bijna flauwval, laat staan als je veertien uur achter elkaar niet eet en drinkt. Slechts één woord blijft dan ook voor deze mensen over: RESPECT.

Veiligheidsmaatregelen a la Afghan style


Kabul, 19 augustus 2009

Sinds enkele dagen trilt elke paar uur mijn mobieltje vanwege smsjes van ongeruste familieleden en vrienden. In Nederland denkt men onderhand dat heel Kabul in vuur en vlam staat. Raar als je dat vergelijkt met hoe ik hier de afgelopen dagen door de rustige straten reed, waar Afghanen gewoon doorleven. Vrouwen in blauwe burka’s shoppen op de markt. Mannen in spijkerbroek prijzen gigantische meloenen aan. Jongeren picknicken in het park. En straatkinderen rennen gillend rond met posters en petjes van presidentskandidaat dr. Abdullah, net uit een voorbijrijdende campagneauto gestrooid. De kilometerslange betonnen muren met prikkeldraad - onderbroken door hokjes met bewakers met mitrailleurs - blijven me herinneren waar ik ben. En de regelmatig langsrijdende konvooien met Amerikaanse legerhummers geven me kippenvel. Maar of het nu grimmig is in Kabul? Eerlijk gezegd heb ik het idee dat de verkiezingen meer in het Westen leven dan bij de Afghanen zelf.

Ook de veiligheidsmaatregelen hier in Kabul worden in Nederland volgens mij enigszins overschat. Zo lees ik enkele dagen geleden op nu.nl dat in de Afghaanse hoofdstad zeer scherpe veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Uiteraard staat in het centrum inmiddels op vrijwel elke straathoek een Afghaanse legertruck met bovenop in de brandende zon een vermoeide soldaat achter een enorme mitrailleur. Maar samen met mijn Nederlandse fotograaf en Afghaanse chauffeur kunnen we enkele dagen eerder - zonder dat we worden gefouilleerd, onze tassen worden doorzocht, onze namen worden gevraagd, of ook maar om onze paspoorten wordt gevraagd - zo het ministerie van Gezondheidszorg in wandelen. ‘Lukt je dit ook zonder ons’, vraag ik verbaasd aan onze Afghaanse chauffeur (wetende dat blanken door beveiligingsmensen – misschien wel onterecht - vaak sneller worden vertrouwd). ‘Zonder jullie zou me dat net zo gemakkelijk lukken. Waarom niet? Ik weet hoe ik met deze mensen moet omgaan’, antwoordt hij met een brede lach. ‘Maar terroristen weten dat ook’, antwoord ik enigszins bedenkelijk. Bij het ziekenhuis wat we vervolgens bezoeken, wordt elke man zeer vluchtig rond het middel gefouilleerd. De veelal gesluierde of in burka geklede vrouwen kunnen zo naar binnen. Zoals in de meeste moslimlanden mogen zij enkel worden gefouilleerd door vrouwen. Maar die zijn nergens te bekennen. ‘Misschien eventjes lunchen‘, lach ik tegen de fotograaf.

Als achtergrondjournalist hoef ik gelukkig niet alle zelfmoordaanslagen af te lopen. Maar mijn fotograaf wil zaterdag graag voor wat foto’s naar de plek vlakbij het NAVO-gebouw waar die ochtend een aanslag is gepleegd. Daar aangekomen worden we eerst tegengehouden door Afghaanse soldaten. Vervolgens vertelt verderop een Franse ISAF-militair ons dat we niet verder kunnen. Langs een klein paadje aan de zijkant lopen we toch met stalen gezichten langs een aantal Afghaanse politiemannen. Die nemen genoegen met onze perspassen en opeens staan we een stukje verderop tussen het mediacircus van journalisten en camera’s op zo’n tweehonderd meter van de uitgebrande auto van de zelfmoordterrorist. Met verbazing kijk ik naar een stotterende CBS-journaliste die voor de camera zeker tien keer niet verder komt dan haar eerste twee zinnen. Maar mijn verbazing wordt groter als opeens onze Afghaanse taxichauffeur naast me staat en vraagt of hij nou mag gaan. Blijkbaar had hij totaal geen problemen met al die veiligheidsmaatregelen, a la Afghan-style dan maar…